(c) John Vink/Magnum, Laos 2008

John Vink/Magnum, Cambodja 2008

“Deze grond is mijn eigendom, maar om hem te kunnen bewerken zouden we hem eerst moeten ontginnen. Het is hier echter gevaarlijk gebied, vol clusterbommen. Er zijn in het verleden al verschillende ongevallen gebeurd en iedereen hier is zich bewust van het gevaar. Maar ik moet natuurlijk mijn gezin kunnen voeden, dus heb ik die grond nodig. Vandaar dat ik vorig jaar, eind juli 2007, besloot om een perceel te ontginnen…”

In Sdok kent iedereen Un en de dorpsbewoners wijzen spontaan de weg naar zijn huis. Het ligt naast een bosje. Vlakbij een hangmat is de vloer bezaaid met fruitschillen. Er hangt vismateriaal aan het raam en een paar meter verder dient een hoopje aarde als oven voor de productie van palmsuiker.

Er is echter niemand thuis, dus leiden de buren ons door de rijstvelden in de richting van een pagode die oprijst aan de horizon en kleurrijke daken trots doet fonkelen. Uiteindelijk ontmoeten we Un in een nabijgelegen rivierbedding. Hij kruipt op zijn knieën door de modder en vangt met zijn blote handen visjes en schaaldieren, die hij uitschudt in een fuik die vastgehouden wordt door een kind.

Hij komt uit het water, steekt een sigaret op en begint onderweg naar huis zijn verhaal te doen.
Un bezit samen met zijn familie een aantal gronden. Hij heeft er genoeg, maar exploiteert ze niet. Hij wijst naar het bos dat naast het huis ligt. Dat is allemaal van ons, legt hij uit. Deze grond is onze eigendom, maar om hem te kunnen bewerken, zouden we hem eerst moeten ontginnen. Het is hier echter gevaarlijk gebied, vol clusterbommen. Er zijn in het verleden al verschillende ongevallen gebeurd en iedereen hier is zich bewust van het gevaar. Maar ik moet natuurlijk mijn gezin kunnen voeden, dus heb ik die grond nodig. Vandaar dat ik vorig jaar, eind juli 2007, besloten heb om een perceel te ontginnen. Sinds mijn ongeval is daar echter geen sprake meer van.

Want het was precies door dit perceel te ontginnen dat Un met zijn hakgereedschap het mechanisme van de clusterbom in werking zette. Sinds hij die ochtend aan de klus begonnen was, had hij al twee andere clusterbommen ontdekt die hij voorzichtig verplaatst had. De tijd en de regen hadden het derde tuig echter gedeeltelijk bedekt, waardoor het onzichtbaar was.

Het haktuig stootte er hard tegen, hetgeen de ontploffing veroorzaakte. Gelukkig stond Un op een afstandje van de clusterbom en werd een deel van de fragmenten tegengehouden door het metaal van het haktuig. Toch kreeg hij verschillende metaalfragmenten in zijn romp en zijn armen. Een van de stukjes zit trouwens nog altijd in zijn schouder. De explosie beschadigde echter vooral zijn ogen: zijn zicht is verminderd en hij blijft in één oog pijn hebben.

Na de ontploffing kwam een aantal mannen van CMAC, de nationale ontmijningsdienst, clusterbommen ruimen. Op aanwijzing van Un en zijn vrouw maakten ze een tiental van die tuigen onschadelijk, al zat een grondigere zoektocht er niet in.

Un en zijn echtgenote blijven dan ook geregeld clusterbommen vinden. Want ook al kan het terrein niet ontgonnen worden, toch moeten ze naar hun veld blijven gaan om fruit te plukken en brandhout te sprokkelen. Als ze clusterbommen opmerken op de grond, plaatsen ze die in boomstronken, zodat hun twee kinderen ze niet kunnen aanraken. Soms brengt Uns vrouw ze een eind verderop. Dat jaagt me uiteraard angst aan, maar ik ben nog banger dat één van mijn kinderen ze op een dag aanraakt. Dus til ik ze heel voorzichtig op en breng ik ze daarheen. We lopen langs smalle paadjes van het huis weg en onderweg toont ze waar ze clusterbommen heeft gelegd. Ze kent die verborgen plekken heel goed. Opgelet: hier is er nog een, maar hij ligt onder de grond en ik kan hem dus niet verplaatsen. De grijze, verroeste bom is moeilijk te onderscheiden van de aarde en gedeeltelijk bedekt met bladeren, waardoor hij nog beter gecamoufleerd is.
Tussen 1969 en 1973 dropten de Amerikaanse troepen maar liefst 26 miljoen clusterbommen op Cambodja. De meeste van die bommen ontploffen echter niet meteen. Het aantal niet-ontplofte tuigen wordt in Cambodja dan ook geraamd op 1,3 tot 7,8 miljoen! Jaren na de oorlog vormen de bommen nog steeds een bedreiging voor de bevolking.

De rampzalige gevolgen van het gebruik van clusterbommen, zowel in Cambodja als elders, hebben Handicap International ertoe aangezet om een grootschalige campagne te organiseren om deze gruwelijke wapens uit te roeien. De organisatie heeft -in samenwerking met andere organisaties die deel uitmaken van de “Coalitie tegen Clustermunitie“- jarenlang gegevens verzameld en druk uitgeoefend op overheden. Met succes, want op 3 december ondertekenen een honderdtal staten het verdrag voor een verbod op clustermunitie.

Het gaat hier om een historische beslissing die toekomstige gewapende conflicten zal beïnvloeden en de slachtoffers van die wapens ten goede zal komen, zowel directe slachtoffers als hun familie en gemeenschap. In de hoop dat gezinnen zoals dat van Un nooit meer bang moeten zijn voor deze gruwelijke wapentuigen.

Comments are closed.